Reactie op ‘Een nieuwe wereldoorlog?’ Een artikel in de Internationale Spectator

fts-als-een-ding-met-fuik

(This article appears in Dutch language; it is a reaction to a Dutch article in the ‘International Spectator’)

In dit artikel reageer ik op de bijdrage van Kars de Bruijne – Research Fellow bij het ‘Netherlands Institute for International Relations‘ – in de Internationale Spectator, met de titel: ‘Een nieuwe wereldoorlog?’. In dit artikel bespreek De Bruijne mijn boek ‘2020: WARning, Patterns in war dynamics reveal disturbing developments’ (het boek kan op deze website worden gedownload).

INLEIDING

Het artikel van De Bruijne bestaat uit twee delen: In het eerste deel argumenteert De Bruijne dat, zoals hij later schrijft:   “… er twijfels moeten rijzen bij de deterministische voorspelling die Piepers in zijn boek 2020: WARning doet”.

In het tweede deel van zijn artikel presenteert De Bruijne een reeks argumenten – vooral gebaseerd op de ‘Clingendael Strategische Monitor 2017’ – om de huidige situatie in het International Systeem te verklaren, en te duiden.

De kritiek van De Bruijne is (niet verrassend) gebaseerd op ideeën en dogma’s uit het – wat ik noem – klassiek ‘International Relations’ – denken. Het probleem met deze discipline is dat de ideeën en dogma’s die zij presenteren over het functioneren van het Internationale Systeem en de analyse daarvan, niet zijn gebaseerd op een wetenschappelijke theorie, die tot stand is gekomen met wat de ‘wetenschappelijke methode’ wordt genoemd. De onderbouwing van deze ideeën en dogma’s is zwak, en betreft veelal opvattingen van deskundigen die naam hebben verworven in deze discipline.

Het is tijd – zoals ook het artikel van De Bruijne wederom bevestigt – dat de International Relations discipline een stap gaat zetten naar een wetenschappelijke onderbouwing van haar denkkaders, hetgeen (nog) niet past bij haar tradities, maar hoogstnoodzakelijk is om ook van toegevoegde waarde te kunnen zijn voor beleidsmakers en politici.

Ik kom op dit fundamentele probleem van de International Relations discipline (ik vermijd het woord ‘theorie’) nog terug.

Ook laat de reactie van De Bruijne zien dat hij niet bekend is met inzichten in de werking van complexe systemen, netwerken en een aantal concepten (zoals over kritische punten en faseovergangen) uit de theoretische fysica, die door mij zijn gebruikt om de oorlogsdynamiek van het Internationale Systeem te analyseren, en een theorie te formuleren met behulp van de eerdergenoemde wetenschappelijke methode. De Bruijne had zich daarin moeten verdiepen; een dergelijke verdieping had bijgedragen aan de discussie.

De Bruijne zijn kritiek bestaat uit een aantal losse opmerkingen, hij richt zijn pijlen vooral op de voorspelling die ik presenteer, en niet op de theorie, en het proces dat tot deze theorie heeft geleid. Dat is jammer; het een gemiste kans. Een dergelijke aanpak zou namelijk ook hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van het International Relations denken naar een meer wetenschappelijk discipline. Het lijkt in de reactie van De Bruijne vooral te gaan om het ‘gelijk’ van de ‘Clingendael Strategische Monitor 2017’, hetgeen echter ook niet een assessment is die op basis van een wetenschappelijke methode tot stand is gekomen.

Scientific thinking explores and redraws the world, gradually offering us better and better images of it, teaching us to think in ever more effective ways. Science is a continual exploration of ways of thinking. Its strength is its visionary capacity to demolish preconceived ideas, to reveal new regions of reality, and to construct new and more effective images of the world.

Carlo Rovelli, in “Reality is not what it seems

Ik hoop dat de redactie van de International Spectator bereid is deze reactie ook in haar publicatie te plaatsen: ik zie uit naar een discussie over mijn onderzoek en over de verdere ontwikkeling van International Relations denken als een wetenschappelijke discipline.

KRITIEK EN REACTIE

De Bruijne signaleert in zijn artikel dat sprake is van onrust en spanningen in het Internationale Systeem, en dat beleidsmakers en wetenschappers naar duiding zoeken. Vervolgens constateert De Bruijne dat “Het is te hopen dat de recente buzz in de Volkskrant en beleidskringen over het boek WARning 2020 van ex-marinier Ingo Piepers wordt ingegeven door deze onrust.” De Bruijne legt niet uit wat hij hier mee bedoelt; tenslotte constateert hij ook zelf in zijn reactie, dat er zeker reden tot ongerustheid is en dat later ook met zoveel woorden stelt.

De Bruijne is van mening dat “de voorspelling van Piepers is wetenschappelijk onhoudbaar; de methodologie rammelt, de data zijn te simpel en het aantal observaties is veel te laag.”. Helaas laat De Bruijne na deze kritiek ook wetenschappelijk te beargumenteren, en beperkt hij zich tot een reeks losse opmerkingen, zoals ik zal uitleggen.

Op basis van mijn onderzoek – onderbouwd met data (data van Levy), waarbij ik gebruik heb gemaakt van inzichten in de werking van complexe systemen, netwerken en concepten uit de theoretische fysica, inclusief bijbehorende statische methodes (zoals ‘statistical mechanics’) – beargumenteer ik dat gedurende de periode 1495-1945 vier versnellende oorlogscycli, die uiteindelijk een fasetransitie hebben opgeleverd door middel van de vierde systeemoorlog (de Tweede Wereldoorlog, 1939-1945), instrumenteel waren in een proces van sociale integratie en expansie van het Systeem, dat gedurende die periode werd gedomineerd door ‘Europa’. Die oorlogsdynamiek kwalificeert als een zogenoemde ‘finite-time singularity dynamic’. Op een bepaald moment in de tijd (ontwikkeling van het Systeem, in 1939) bereikte de dynamiek van het Systeem een eindpunt, die wordt gekenmerkt door waarden van variabelen die niet meer houdbaar zijn. Collapse van het Europese Systeem in 1939 was het gevolg zoals ik – onderbouwd met data van Levy – uitleg in mijn boek.

pnas-fig-4

Dit figuur is een schematische weergave van de vier versnellende oorlogscycli die het Systeem produceerde gedurende de periode 1495-1945. De Patronen zijn opmerkelijk en consistent. In 1939 bereikte het Systeem de ‘critical connectivity threshold’, produceerde ‘oneindige’ hoeveelheden spanningen, en stortte in. Deze collapse werd aangekondigd in de patronen die in de dynamiek kunnen worden geïdentificeerd.

Gedurende genoemde periode heeft Europa zich ontwikkelt van een ‘systeem’ van circa 300 kleine, los verbonden en diverse sociale entiteiten (inclusief voorlopers van staten) met een totale omvang van circa 83 miljoen inwoners in 1495, naar een in hoge mate verbonden Systeem, van circa 25 gestandaardiseerde staten, met een totale bevolkingsomvang van circa 544 miljoen in 1939. Door middel van vier zogenaamde systeemoorlogen reorganiseerde het Systeem zich periodiek, door (weer) een ‘ge-upgrade’ internationale orde te implementeren, die weer een relatief stabiele periode – en gelegenheid voor (bevolkings) groei en ontwikkeling – mogelijk maakte. Elke cyclus bestond uit een relatief stabiele periode gevolgd door een ‘korte’ systeemoorlog. Tijdens relatief stabiele periodes produceerde het Systeem ‘kleinere’, lokale (soms regionale) niet-systeemoorlogen, om – dat is wat het onderzoek laat zien – spanningen tussentijds (en zo lang dat nog mogelijk was) te ontladen.

De Bruijne zijn kritiek – “de methodologie rammelt, de data zijn te simpel en het aantal observaties is veel te laag.”- is te kort door de bocht. De Bruijne had – overeenkomstig de wetenschappelijk methode – zijn analyse moeten richten op mijn theorie, en hoe die tot stand is gekomen. De Bruijne legt ook niet uit hoe de patronen die kunnen worden geïdentificeerd, dan wel – met een andere theorie – zouden kunnen worden verklaard. De consistentie van de theorie die ik presenteer, adresseert De Bruijne ook niet.consistency-of-theory-1-page-0

consistency-of-theory-2-page-0

In bovenstaande figuren wijs ik op  de consistentie van de theorie die wordt gepresenteerd in mijn boek.

De Bruijne interpreteert mijn theorie helaas verkeerd. De Bruijne stelt: “Ten eerste meent hij dat de frequentie, intensiteit en omvang van oorlog tussen grote mogendheden een vaststaand cyclisch patroon volgen. Een set ordenende principes voor de omgang tussen ‘staten’ gaat gepaard met een steeds nauwer patroon van relaties waarin spanningen worden opgebouwd. Die spanningen uiten zich in conflict waarbij grootmachten zijn betrokken, totdat een punt wordt bereikt waarop de kosten voor conflict te groot worden en het aantal conflicten afneemt. Maar spanningen blijven zich opbouwen tot het punt waarop een onvermijdelijke grote oorlog leidt tot spanningsontlading. Vanaf 1488 tot 1945 hebben zich vier van dergelijke ‘oorlogscycli’ voorgedaan. Gezamenlijk vormen ze een Europese super-cyclus.”

Deze tekst is een foutieve interpretatie van mijn theorie: De Bruijne neemt zich de vrijheid een eigen interpretatie te geven van mijn onderzoek, en vervolgens uit te leggen, dat mijn analyse niet zou deugen. Dat is slordig, ook wetenschappelijk geen juiste benadering. Slordig is ook hoe De Bruijne met jaartallen omgaat: de vier cycli zijn door het Systeem geproduceerd gedurende de periode 1495-1945, niet gedurende de periode 1488 – 1945, zoals hij schrijft. Ook spreek ik niet over ‘kosten voor conflict’ die te groot zouden worden. Wel constateer ik dat gedurende de relatief stabiele periodes die vooraf gingen aan de vier systeemoorlogen, een ‘Tipping Points’ kunnen worden waargenomen in de gemiddelde omvang van niet-systeemoorlogen tijdens deze periodes. Als het Tipping Point wordt bereikt, neemt de gemiddelde omvang van niet-systeemoorlogen telkens af: spanningen – ondanks dat deze zich voortdurend en versneld opbouwen – kunnen niet meer afdoende worden ge-released door niet-systeemoorlogen, als gevolg van een netwerkeffect (zie mijn boek). Hierdoor accumuleren spanningen zich in het systeem, en kunnen allerlei kwesties niet meer worden opgelost. Uit mijn data-onderzoek blijkt dat de huidige internationale orde eenzelfde patroon volgt, en dat in 2011, de huidige relatief stabiele periode (verankerd vooralsnog in de Verenigde Naties) het Tipping Point bereikte, en spanningen zich nu opstapelen. Deze spanningen verklaren het huidige volatiele karakter van het Systeem. Uiteindelijk maken deze spanningen dat het Systeem in een kritieke toestand komt, en een systeemoorlog zal produceren (zoals dat tot vier keer toe is gebeurd) om een nieuwe internationale orde – een ‘VN 2.0’ in dit geval – te implementeren.

Ook wat De Bruijne mijn tweede argument noemt, behoeft een zorgvuldigere formulering en beoordeling. Zie mijn opmerkingen hierboven.

De Bruijne typeert mijn boek als ‘soms taai’ omdat ik mij – zo stelt hij – baseer op ‘concepten en ideeën uit de theoretische natuurkunde en wiskunde’. Ik beschouw dat – de kwalificatie saai – vooral als een persoonlijke observatie van De Bruijne, maar die geeft wel te denken. De theoretische natuurkunde is wetenschap, en zoals De Bruijne wellicht weet richt de theoretische natuurkunde zich op de meest fundamentele wetenschappelijke vraagstukken, die ook betrekking hebben – hoe lastig dat ook te identificeren en (klaarblijkelijk) te accepteren is – op de dynamiek van sociale systemen. Het is een fundamentele misvatting, te veronderstellen dat wij – de mens en sociale systemen die wij creëren – een bijzondere status zouden hebben, en van deze wetten gevrijwaard zouden zijn. Deze diskwalificatie van de theoretische natuurkunde geeft inzicht in de manier van denken in de International Relations discipline, en die is niet sterk.

We are obsessed with ourselves. We study our history, our psychology, our philosophy, our gods. Much of our knowledge revolves around ourselves, as if we were the most important thing in the universe. I think I like physics because it opens a window through which we can see further. It gives a sense od fresh air entering the house.

Carlo Rovelli, in “Reality is not what it seems

Ik beweer nergens in mijn boek dat een oorlogscyclus het best te vergelijken zou zijn met een fasetransitie tussen twee internationale ordes, zoals De Bruijne stelt. Ik stel – aan de hand van data-analyse – dat gedurende de periode 1495-1945 het Systeem vier versnellende oorlogscycli produceerde, die uiteindelijk – door middel van de vierde systeemoorlog (de Tweede Wereldoorlog, 1939-1945) resulteerde in een fasetransitie. Die fasetransitie was onvermijdelijk: de versnellende cycli waren ook unsustainable (zie boek), vanwege de energie input die was vereist, en de collectieve zelfdestructie die onvermijdelijk was door de destructie die werd veroorzaakt. Deze fase-transitie resulteerde in de gelijktijdige (en niet toevallige, zie boek) implementatie van niet-anarchistische structuren in Europe (die het fundament voor de (latere) Europese Unie vormden), en van een eerste internationale orde (de VN) met een globaal bereik.

Ook stel ik nergens dat de ‘kwaliteit van de internationale orde geleidelijk zou afnemen; mij is ook niet duidelijk wat De Bruijne hiermee bedoelt of suggereert. Deze uitleg en dergelijke bewoordingen staan niet in mijn boek.

De Bruijne stelt dat mijn empirische analyses niet overtuigend en betrouwbaar zouden zijn; er zou sprake zijn van een groot aantal methodologische problemen. De centrale concepten (zoals “internationale orde, spanningen, systeem-oorlog”) zouden vaak niet gedefinieerd zijn, stelt De Bruijne; echter niets is minder waar: zie onder andere de verklarende begrippenlijst in het boek, en juist de concepten die De Bruijne noemt, worden gedefinieerd en gemeten (met behulp van de data van Levy).

De statistiek in het boek zou te gemakkelijk zijn. Ook die kritiek in onzorgvuldig. Vooropgesteld dat die te makkelijk zou zijn (nog los van de vraag wat dat betekent), wat heeft De Bruijne er dan van weerhouden om diezelfde data met niet ‘te makkelijke’ statistiek te analyseren, om aan te tonen, dat mijn analyse en conclusies onjuist zijn? Dat is wetenschap.

Verder is het ook van groot belang dat de juiste statistische methodes worden gebruikt die ‘passen’ bij het fenomeen dat wordt onderzocht. Voor dit onderzoek heb ik gebruik gemaakt van methodes uit de statistische mechanica die zoals gezegd, speciaal zijn ontwikkeld in/door de theoretische natuurkunde om onder andere kritische fenomenen te analyseren en te duiden: misschien saai voor De Bruijne, maar wel onontbeerlijk voor de International Relations discipline een stap te zetten richting wetenschappelijk onderbouwing en theorievorming.

Dat ik Iran aanmerk als grootmacht is zeker geen atypische keuze, zoals De Bruijne stelt. Deze keuze is gebaseerd op de definities die door Levy zijn geïntroduceerd en toegepast. Nog los van het feit, dat mijn analyse ook zonder deze keuze, tot dezelfde conclusies zou hebben geleid, zoals ik bespreek in mijn boek.

Mij is niet duidelijk waarop De Bruijne doelt als ik de data op ‘te grote schaal zou hebben aangepast’: de data is niet door mij aangepast.

Ook is de betekenis en relevantie niet duidelijk van de opmerking van De Bruijne als hij stelt dat ik gemiddeld 1 bron per 10 bladzijden gebruik. Is dit wetenschappelijk onderbouwde kritiek? Waarom richt De Bruijne zich niet op de door mij gehanteerde wetenschappelijke methode, en de wijze waarop die (consequent) is toegepast?

De database is aanzienlijk, hij is opgesteld door Levy, zoals gezegd, en wordt algemeen erkend als de meest gezaghebbende database die beschikbaar is voor deze periode. Let wel: het aantal ‘beperkte’ waarnemingen is op zich geen wetenschappelijke diskwalificatie, wat De Bruijne stelt. Het ‘n = 4 argument’ (De Bruijne verwijst naar de vier cycli die kunnen worden geïdentificeerd in de data van Levy, zoals ik in mijn studie uitleg) is ook bijzonder zwak en zelfs misleidend. Suggereert – diskwalificeert – De Bruijne wetenschappelijke disciplines – zoals de theoretische natuurkunde, klimaatwetenschappen en astrofysica – waar n vaak slechts 1 is? Is de wetenschap dan ‘uitgeschakeld’?

Ook dit argument laat zien dat het zaak en hoog tijd is dat de Internationale Relations discipline kennis gaat nemen van andere wetenschappelijke disciplines en de methodes die zij gebruiken – hoe saai ook; anders kan deze discipline nooit de stap naar een volwaardige wetenschap zetten, en nooit een wezenlijke bijdrage kunnen leveren aan bijvoorbeeld preventie van oorlog.

Wat De Bruijne tussen door stelt – namelijk dat 30% van de Europese bevolking stierf tijdens de Dertigjarige Oorlog – en mijn logica zou ‘omdraaien’, is een volledig foute voorstelling van zaken. Het aantal slachtoffers waarop ik mijn analyse baseer (uit Levy’s database) betreft het aantal militaire slachtoffers (zie boek) en daarin zijn burgerslachtoffers niet inbegrepen, zoals wel het geval is in de ‘30% van De Bruijne’. Het getuigt van onzorgvuldige interpretatie van mijn onderzoeksresultaten, die vervolgens worden weerlegd, op basis van volledig andere metingen. Over statistiek gesproken.

De Tipping Points waarnaar ook De Bruijne verwijst zijn niet gebaseerd op ‘handmatige’ (?) maar visuele waarneming van de data; er is niets mis met deze methode, en ik daag De Bruijne uit de foutieve interpretatie ervan aan te tonen. Nota bene, dat deze tipping points geen artefacten zijn blijkt ook uit de consistente patronen die kunnen worden geïdentificeerd bij toepassing van dit concept (zie boek), hetgeen kan worden opgevat als ‘supportive evidence’ voor het bestaan ervan.

Vervolgens bespreekt De Bruijne spreekt over de Europese supercyclus (niet mijn terminologie), die zou hebben plaatsgevonden tussen 1498-1567 (?) ; mij is niet duidelijk welke periode of cyclus dit betreft.

Verder past De Bruijne een aantal simplificaties toe op de uitleg van de door mij gehanteerde methode om de oorlogsdynamiek te duiden voor de periode 1945-heden, die mijn methode nogal geweld aandoen. Uiteraard doe ik een reeks aannames voor de voorspelling die ik presenteer, daarom is het ook een voorspelling. Het zou nuttig zijn – ook bij de beoordeling van mijn methode – als De Bruijne kennis zou nemen van andere wetenschappelijke disciplines, en de methodes die daar worden gehanteerd: in dit specifieke geval zouden de klimaatwetenschappen nieuwe inzichten kunnen opleveren, zowel de wijze waarop klimaatvoorspellingen worden gedaan, en de wijze waarop historische klimaatcondities/klimaten op basis van (schaarse) data worden gereconstrueerd.

Verder stelt De Bruijne dat vergelijkbare argumentatie (wat betekent dit?) en teveel twijfelachtige analogieën (welke ?), en ogenschijnlijk toevallige verbanden (welke dan?) het boek kenmerken. En daarom mag volgens De Bruijne worden geconcludeerd dat de empirische analyse niet overtuigt.  Dat is makkelijk gesteld, maar deze beweringen onderbouwt De Bruijne niet, het zijn losse opmerkingen, die bovendien vaak op een onzorgvuldige interpretatie van mijn studie zijn gebaseerd.

TOEPASSING 

Vervolgens stelt De Bruijne dat “het boek toch een aantal belangrijke en beleidsrelevante vragen opwerpt, juist in een tijd waarin de schaduw van het oorlogsspook soms voorzichtig de kop opsteekt.” En “Piepers noopt ons dus na te denken over de vraag of er momenteel omstandigheden zijn die wijzen op de komst van een systeemoorlog. En, zo ja, wat te doen?” Hoe deze observaties – die ik ondersteun – precies passen bij De Bruijne zijn eerdere pogingen mijn onderzoek te ontkrachten is mij niet helemaal duidelijk.

Vervolgens stelt De Bruijne  weer dat de “objectieve omstandigheden niet zorgwekkend” zijn. Maar wat zijn die objectieve omstandigheden dan, en waarop – op welke data en analyses  door De Bruijne of Instituut Clingendael – is deze voorspelling dan gebaseerd? Waarom verwerpt De Bruijne een grondige analyse op basis van onzorgvuldige argumenten, en doet vervolgens een voorspelling die slechts gebaseerd is op zijn ‘gut feeling’ (?). Dat is International relations theory?

Als De Bruijne het vervolgens over gewelddadige systeemveranderingen heeft, waar heeft hij het dan over?  Per definitie gaan systeemoorlogen (zie boek) over wat De Bruijne de normatieve inrichting van de internationale orde noemt. Nota bene, tot op heden – nooit – heeft het Systeem zich kunnen reorganiseren op een andere wijze dan door een systeemoorlog. Het einde van de Koude Oorlog, was geen verandering van orde (de Verenigde Naties), en de dramatische veranderingen in de (oorlogs)dynamiek van het Systeem sinds 1989/1991 – naar grotere onvoorspelbaarheid en volatiliteit – kunnen worden verklaard door het feit dat het aantal vrijheidsgraden van het Systeem op dat moment weer toenam naar n > 2, en de oorlogsdynamiek weer chaotische karakteristieken kreeg (nota bene: chaotische systemen zijn ook gedetermineerde systemen).

De Clingendael Monitor blijkt het referentiekader van De Bruijne te zijn, maar ook hiervoor geldt dat dit slechts observaties zijn, die niet wetenschappelijk onderbouwd zijn. De voorspellingen die De Bruijne en de Instituut Clingendael doen zijn ‘slechts’ opvattingen.

Een belangrijke conclusie van mijn onderzoek is dat voor wat betreft het (Internationale) Systeem onderscheid moet worden gemaakt tussen een ‘contingent’ en een ‘deterministic domain’.

Historici en de International Relations discipline richten zich alleen op het ‘contingent domain’, en niet op het onderliggende ‘deterministic domain’, en de interactie tussen beide. Speculeren over dynamiek in het ‘contingent domain’ heeft grote beperkingen, hetgeen De Bruijne doet en wordt gedaan in de monitor. Het is onmogelijk op basis van de dynamiek in het contingent domain voorspellingen te baseren, zoals De Bruijne doet; het is slechts speculatie.

Los van het feit dat fundamentele aanpassingen van de internationale orde (tot op heden vier keer, zie studie) altijd door middel van een systeemoorlog tot stand zijn gekomen, kwamen deze systeemoorlogen in alle vier gevallen (timing, omvang en duur) als verrassingen; alle speculatie, en voorspellingen ten spijt. Voor het uitbreken van de derde systeemoorlog (de Eerste Wereldoorlog, 1914-1918) was men (politici, en wetenschappers ‘of the day’) ook in de veronderstelling dat oorlog uitgesloten was, vanwege de voordelen die staten behaalden met (ongestoorde) internationale handel. Een ‘verstandige’ kosten/baten-analyse  zou oorlog uitsluiten.

Niets was echter minder waar, en mijn onderzoek laat zien dat de Eerste Wereldoorlog (evenals de andere drie systeemoorlogen) onvermijdelijk was, en zich al in een vroeg stadium aankondigde.

Ik maak slechts een enkel voorbehoud bij de ‘2020 voorspelling’ (zie ook boek): niet vanwege de theorie en methode, maar wel vanwege de data die aan deze berekening ten grondslag ligt: De database van Levy is door mij aangevuld vanaf 1975, de vraag is of die volledig accuraat is. Voorlopig duidt de huidige volatiele dynamiek, toenemende radicalisering en opstapeling van spanningen en (onopgeloste) kwesties erop, dat we ons inderdaad (zoals ik heb uitgelegd) in de eindfase van de huidige internationale orde bevinden, en een kritieke periode onvermijdelijk is. Deze kritieke periode zal een reorganisatie van het de internationale orde opleveren (en mogelijk maken). De vraag is of dat nu kan – een historisch unicum – zonder systeemoorlog.

In de conclusie van zijn artikel stelt De Bruijne dat “Iedereen die bekend is met forecasting begrijpt dat elke inschatting van de toekomst met een aantal slagen om de arm moet worden gemaakt”. En “Alleen daarom al zouden er twijfels moeten rijzen bij de deterministische voorspelling die Piepers in zijn boek 2020: WARning doet.

Ook stelt De Bruijne dat zijn “klinische blik leert dat – ondanks interessante ideeën – de methode, het datagebruik en de statistische analyse, de toets der kritiek niet kunnen doorstaan.”

Op deze conclusies valt zeer veel af te dingen, zoals ik heb uitgelegd: De Bruijne heeft zich er makkelijk en onzorgvuldig van afgemaakt. Ook is zijn retorische formulering dat iedereen bekend met forecasting, per definitie over de studie twijfel zouden moeten hebben, niet sterk. Dat is geen argumentatie.

Ik denk dat het zaak is – mede als De Bruijne een bijdrage wil leveren aan een “flinke duw in de rug” van het strategische denken in Nederland, zoals hij schrijft, zijn ‘klinische blik’ toch echt verder verruimd en aanscherpt.

Ik ga niet in op de bespreking door De Bruijne van allerlei internationale politieke ontwikkelingen en zijn pogingen tot duiding daarvan (en zoals die in de monitor worden besproken). Met die duiding kan – zoals ik ook in mijn boek uitvoerig bespreek – de aard en herkomst van de dynamiek in het Internationale Systeem namelijk niet worden verklaard. Verklaren doen die gebeurtenissen namelijk niets, dat is een misvatting; het zijn eerder symptomen van een onderliggende en in belangrijke mate gedetermineerde dynamiek.

International Relations theorie is nu nog slechts een verzameling ideeën en dogma’s – veelal generalisaties van allerlei ervaringsgegevens, waarvan de toepassing bijna altijd fout is gegaan – en is geen coherente theorie, die is gebaseerd op de toepassing van de wetenschappelijke methode. Daar gaat de International Relations discipline mank. Het is nu zaak dat historici en International Relations onderzoekers, eindelijk de stap zetten naar een wetenschappelijke benadering, en zich ook gaan verdiepen in andere wetenschappelijke disciplines, saai of niet. De International Relations discipline loopt achter op alle andere wetenschappelijke disciplines, terwijl het juist een discipline is, die een constructieve bijdrage moet gaat leveren aan de preventie van oorlogen, die verder gaat dan ‘wishful thinking’.

De theorie die ik in mijn boek presenteer is niet alleen gebaseerd op data-analyse, maar is bovendien coherent, en kan een grote reeks fenomenen verklaren. Ik daag De Bruijne – de International Relations discipline – uit mijn theorie te weerleggen – te falsificeren – door toepassing van een rigoureuze wetenschappelijke methode, en niet met een reeks losse opmerkingen.

Want hoe kunnen dan de vier versnellende cycli – en de patronen in de eigenschappen ervan – dan wel worden verklaard: of bestaan deze niet? Al met enige basiskennis over complexe systemen, netwerken, en theoretische natuurkunde, blijkt dat ook sociale systemen een aantal wetmatigheden en mechanismen gehoorzamen. Zo bijzonder zijn we nu ook weer niet.

Deze nieuwe inzichten kunnen ons de aanknopingspunten bieden om International Relations theorie naar een hoger plan te brengen, en strategisch denken niet slechts te baseren op ideeën en dogma’s, die ons niet veel verder kunnen brengen.

Ik dank Kars de Bruijne voor zijn artikel; dit is een zinvolle discussie. Ik hoop dat zijn artikel een vervolg krijgt, zodat we samen kunnen bouwen aan een International Relations discipline en theorie, en deze naar een hoger plan kunnen tillen, zodat we betere – effectievere – internationale ordes kunnen ontwerpen en implementeren door middel van overleg, en oorlogen – en de ellende die het brengt – kunnen worden voorkomen.